 |
Kerstmis 1
Het hoge noorden
Het is koud, het is berenkoud. Niet zo van die bruin-zwarte bosberen maar echt van die witte ijskoude poolberen, zo koud is het. Mijn tenen bevriezen in mijn schoenen. Mijn winterse muts heb ik tot over mijn oren getrokken. Met mijn handen diep in de zakken van mijn winterse jas loop ik door de sneeuw. De ene stap na de andere, eens moet er een einde komen aan al die sneeuw. Elke stap die ik zet verdwijnen mijn schoenen in de sneeuw. Mijn voetstappen maken nu al een ongekend lang spoor achter mij. Ik moet blijven gaan, ik mag niet stilvallen anders vries ik dood.
Zon, dat is lang geleden dat ik de zon nog eens gezien heb, enkel de maan, het licht van de maan is het enige licht dat er is. Een onbewolkte hemel die vol staat met lichtjes van miljarden sterren en één grote ronde cirkel van de maan. Lang geleden zag ik aan de horizon een gloed verschijnen, de horizon was zo ver weg, veel verder dan dat ik kon zien met het licht van de maan. Eventjes dacht ik dat de zon zou opkomen maar helaas, ze was weer weg. Een moment van een gelogen vreugde.
Als ik maar eens kon gaan zitten, gewoon gaan zitten. Ik neem wat sneeuw in mijn handen en maak er een balletje van, dan rol ik het in de sneeuw. Elke omwenteling dat het doet plakt er sneeuw aan en zo wordt mijn balletje groter, steeds groter en groter. Heb ik geleerd toen ik nog een kind was, zo maakten wij sneeuwmannen. Een grote bol, daarboven een kleinere bol en daar bovenop een nog kleinere bol en dat was dan het hoofd. In het hoofd staken we een wortel en dat was dan de neus. Twee kleine aardappeltjes en dat waren de ogen.
Nu heb ik enkel de onderste grote bol nodig, ik rol het ding voor me uit en voila, klaar. Een stoel, eventjes gaan zitten, ik ben zo moe, precies de juiste hoogte, net wat ik nu nodig heb, iets om op te gaan zitten.
Boven mij ergens ver in de kosmos verschijnt het noorderlicht weer. De eerste keer dat ik het zag was ik zo onder de indruk van het mooie schouwspel met bonte kleuren, zo mooi maar nu, gewoon even uitrusten. Er is geen verschil tussen dag en nacht, het is allemaal hetzelfde. Voor zover dat het maanlicht het toelaat zie ik enkel sneeuw, een heuvelachtig landschap met sneeuw. Achter mij mijn voetsporen, voor zover ik kan kijken, een beetje kronkelende lijn, helemaal van ginder kom ik, uit de nacht, door de nacht en de nacht weer in. Het verleden, het heden en de toekomst. Sneeuw, sneeuw, sneeuw, het licht van de maan en de sterren. Ik tuur in de verte waar ik vandaan kom naar het spoor van voetstappen.
Ginder, heel in de verte, daar beweegt iets. Dat kan niet, het moet mijn vermoeidheid zijn. Ik tuur en staar in de diepte van mijn voetspoor. Er beweegt écht iets en het komt zelfs mijn richting uit. Op mijn sneeuwstoel zit ik ernaar te kijken. Iets komt mijn richting uit maar wat is het ? Het doet in elk geval veel sneeuw opwaaien. Is het een sneeuwstorm ? Dan zal ik maar achter mijn bal gaan zitten om mij te beschermen, niet de eerste keer. Neen, sneeuwstormen komen over de hele breedte van de horizon, dit is een stip. De stip wordt groter, het komt dichterbij, steeds dichter. Het is een slee. Een slee getrokken door rendieren. Zal ik mijn duim uitsteken, beetje lift vragen ? Ik denk niet dat het nodig is, ze vertraagd. De rendieren stoppen met rennen, langzaam stappen ze verder, langzaam schuiven ze de slee tot voor mij en dan stopt het.
Een vrij grote slee met zes rendieren en op de slee zit een oude man met rode broek, rode jas en een rode winterse muts. Een beetje gezette oude man met witte baard. Hij kijkt me aan en ik kijk naar hem. Moet ik nu in de lucht springen van blijdschap ? Ik kan mij niet meer herinneren hoe lang het geleden is dat ik nog eens iemand gezien heb. Hij is oud, heel oud maar toch straalt hij iets jeugdigs uit, de glimlach op zijn gezicht en die glinsterende ogen in het licht van de maan. Achter in zijn slee ligt het vol met pakjes. Netjes ingepakte pakjes met strikjes.
Elke keer de rendieren uitademen zie ik hun adem als een witte damp uit hun muil komen. Net een stoomlocomotief die tot stilstand gekomen is en het witte stoom komt nog langst het aandrijfmechanisme eruit.
Daar zit ik dan op mijn geďmproviseerde sneeuwstoel, in elkaar gekrompen van de kou en mijn rijtuig wacht op mij.
“Blijf je daar bevriezen of rij je mee ?”
Hij heeft een warme diepe stem. Het leek wel of hij zong toen hij me dat vroeg. Hij klopt op de vrije plaats naast hem op de bank. Met de kraag van mijn jas omhoog, mijn muts over mijn oren en mijn handen in de zakken van mijn jas kruip ik overeind en neem plaats naast hem. Hij geeft een zwier aan de teugels, precies op dezelfde manier dat ik mijn donsdeken opschud en de rendieren zetten zich in beweging.
Langzaam glijd de slee over de sneeuw, stapvoets wandelen de dieren, erg langzaam maar in elk geval sneller dan dat ik te voet ga. Nog nooit in een slee gezeten, en zeker niet met rendieren. Ik hoor het schuivend geluid van de ski's en het kraken van de sneeuw.
“Ik zag je spoor in de sneeuw.”
“Je moet al lang onderweg zijn, het spoor was heel lang.”
Ik haal mijn schouders op, eigenlijk weet ik niet hoe lang ik al onderweg ben. Hier is geen verschil tussen dag en nacht. De maan hangt steeds op dezelfde plaats. Weken ? Maanden ? Jaren ?
“Geen idee,” antwoord ik.
“Ik moest even naar huis, een nieuwe lading pakjes ophalen.”
Hij wijst met zijn duim over zijn schouder naar achteren, doelend naar al die kleurrijke pakjes met strikjes.
“Dacht, ik ga over de noordpool dat is korter en toen zag ik je spoor.”
“Drukke periode deze tijd van het jaar, miljoenen pakjes bezorgen, veel weg en weer rennen.”
“Ben je dan een koerierdienst,” vraag ik ?
“Hahaha, hohoho, hij lacht hartelijk, ja, zo kan je het eigenlijk wel stellen.”
“Je hebt misschien wel gelijk, ik ben een koerierdienst, maar dan wel de oudste van de hele wereld.”
“Hoe oud ben je dan,” vraag ik hem ?
“Ja, dat weet ik eigenlijk niet meer, bij 816 ben ik de tel kwijt geraakt.”
Verbaasd kijk ik hem aan. Bij 816 jaar is hij de tel kwijt geraakt !
“Maar dit werk doe ik nog niet zo lang hoor, ik schat iets van een 200 jaar.”
“Hele fijne baan trouwens, echt een fijne job.”
“Eén maandje werken op een jaar en elf maanden vakantie.”
“Miljoenen kindjes blij maken, soms ook volwassen mensen en als het uitkomt een verdwaalde reiziger op de noordpool een lift geven.”
Ik kijk hem een beetje beschaamt aan. Moest hij dat laatste er nu persé bij vermelden ?
“Waar ben je eigenlijk naar opweg,” vraagt hij me?
“Mijn Vrouwkelief,” antwoord ik.
“Zozo, jouw Vrouwkelief”
“Denk je ze hier in het hoge noorden te vinden ?”
“Hier zal je geen liefde en tederheid vinden, hier is niets, niemand, enkel maar sneeuw, jij geloofd nog in de Kerstman jij.”
Opnieuw kijk ik hem met grote ogen verbaasd aan, een beetje peinzend in zichzelf kijkt hij voor zich uit. Zou deze man mij nu voor de gek aan het houden zijn ? Beetje last van de ouderdom ? Neen, heb nog nooit in de Kerstman geloofd maar daar denk ik nu toch wel anders over.
Hij draait zijn gezicht en kijkt me aan.
“Hoe kom je er nu bij naar het hoge noorden te gaan om jouw Vrouwkelief te zoeken ?”
“Dat is wat ze me gezegd heeft.”
“Dus je hebt haar al gezien en ze heeft jou gezegd dat ze in het hoge noorden in een iglo woont ?”
“Ja, neen, ik heb haar niet gezien, het was een droom. “ “Ze stond voor me en ze had twee honden bij zich.” “Die ene hond was van haar en die andere van mij.” “Mijn hond huilde, hij miste mij.” “Uit haar ogen stroomde tranen.” “ Ze woonde in een klein gezellig huisje, te midden van de bossen aan een stromend riviertje.” “ Ze zei me ; kom naar me toe, volg je hart en je zal me vinden, ik wacht op jou.”
“Hohoho, neen maar, die ken ik.”
“Hoezo je kent haar ?”
“Maar natuurlijk dat ik haar ken, ik krijg toch alle wensen van alle mensen in mijn brievenbus.” “Jij bent haar kerstgeschenk !”
“Ik, haar kerstgeschenk, maar ik heb geen pak aan en geen strikje.”
“Dat zal haar worst wezen, even snel dit pakje bezorgen, daar zal ik eens vaart achter zetten zie, even mijn rendieren opjutten.”
Hij zwiert met de teugels, hop, hop, hop en de rendieren zetten het op een lopen. Nog een keer zijn donsdeken opschuddend en hop, hop, hop de rendieren rennen nog harder en nog een keer en nog harder. Verdomd wat gaat het snel. Ik zet mij schrap en hou mijn muts vast. De wind suist langs mijn oren. Ik kijk hem aan, dadelijk word ik door de wind uit de slee gerukt. Blijkbaar heeft hij nergens last van, de wind deert hem niet, de flappen aan zijn muts flapperen niet. Ik word bijna uit de slee gezogen en meneer zit er rustig bij alsof het windstil is.
“Hahaha, lacht hij, arren is niets voor watjes, dit pakje zal ik eens snel afleveren, let maar eens op.”
Hij trekt aan de teugels met beide handen en wat nu ? De rendieren lopen de hoogte in alsof ze een onzichtbare brug ophollen. Steeds hoger en hoger, we vliegen, de rendieren schijnen op een onzichtbare weg te lopen. We zijn hoog, heel hoog, de kromming van de aarde is nu duidelijk zichtbaar en heel in de verte, op drie uur is er licht, de zon, ginder is de zon. Ik wijs ernaar, de opkomende zon.
“Daar gaan we naartoe,” zegt hij.
De slee maakt een scherpe bocht van 90°. Aan het zijspon hou ik me vast, dadelijk ga ik eruit vallen.
“Nog nooit in een vliegtuig gezeten,” vraagt hij ?
Ja, natuurlijk maar toen zat ik binnen en keek door het raampje. Heb ooit wel anders gefantaseerd over hoe het zou zijn om met mijn geliefde een romantisch tochtje te maken in de sneeuw met een slee en paarden ervoor. Dit is niet meer arren, dit is een kermisattractie. Hij grijpt mijn schouder en trekt me naar zich toe.
“Hier blijven jongen, te vroeg om al uit te stappen, je bent er nog niet.”
De slee gaat nu in recht lijn naar de zon. De zon komt steeds hoger te staan, nog nooit de zon zo snel zien opkomen. Ik hou mijn handen voor mijn ogen, zoveel licht, dat is even wennen, dat is lang geleden. Daar in de verte, het einde van de sneeuw en daarachter water, veel water. Een zee ? Een oceaan ? Het komt steeds dichter bij. Zoef, dat was de sneeuwgrens. Ik kijk achterom, daar kom ik vandaan.
“Kijk, zegt hij, een vliegtuig.”
Hij wijst voor ons uit. Jij moet wel heel goed kunnen kijken, ik zie niets. Ja, toch, een stipje.
“Zo kom ik er veel tegen, jullie mensen zijn een actief volkje van reizigers.”
Zoef, weg vliegtuig, in vliegende vaart voorbij gestoken.
Ginder in de verte, land, bossen, rivieren, weilanden. Zoef, we vliegen over land.
Hij doet allerhande rituelen met de teugels en de slede daalt, de rendieren verminderen vaart en we dalen steeds dichter bij een riviertje. We scheuren tussen boomtoppen door en enkele meters boven het water vliegen we langzaam verder. De rendieren lopen heel rustig op een niet zichtbare weg, een metertje boven de rivier. De rivier maakt een bocht maar in plaats van de bocht te volgen vliegt de slee rechtdoor. De ski's raken de grond op de oever en komt tot stilstand. Een honderdtal meters voor ons staat een huisje.
“Herken je het,” vraagt hij ?
“Ja, fluister ik zachtjes, het huisje uit mijn droom, de rivier, het bos, het hele decor.”
“Misschien heb je wel gelijk.”
“O, antwoord ik verbaasd, waar ergens heb ik dan gelijk gehad ?”
“De weg naar liefde is via het hoge noorden, maar het is wel een hele lijdensweg.”
Van achter het huisje komt een hond te voorschijn, luid blaffend naar ons toe. Dan een tweede hond. De voordeur gaat open. Heel in de verte zie ik iemand in de deuropening verschijnen.
“Dat is ze, zeg ik, ik voel het.”
Heel hard komt ze onze richting uitgelopen, de twee blaffende honden al een heel eind vooruit.
“Opdracht volbracht, zegt hij, pakje afgeleverd, jammer.”
“Jammer, hoezo, waarom jammer,” vraag ik hem stomverbaasd ?
“Hoor je de muziek niet spelen ?
“Muziek, ja, nu je het zegt, ik hoor muziek, waar komt die vandaan ?”
“Uit je klokradio, het is zes uur, tijd om op te staan kerel.”
“NEEN, roep ik heel hard, NEEN, NEEN !!!”
Ik ruk de teugels uit zijn handen en jut de rendieren op.
“Hup, hup, hup, lopen, rennen, vliegen, mijn Vrouwkelief tegemoet.”
Als een idioot zit ik rechtop in mijn bed mijn donsdeken op te schudden.
Ik laat mij stijf op mijn rug in mijn hoofdkussen ploffen, uit de radio klinkt een kerstmis klassieker :
All I want for Christmas is you. (Make my wish come true)
Dit verhaaltje is maal gelezen.
|
 |