 |
Halloween
Hallo Ween
ZOEF....
"Hellaba,... zeg,.... zal 't gaan ja !"
Als beeldhouwer ben ik achter mijn atelier in mijn voorraad een mooi blokje arduin aan het uitzoeken om een nieuw beeldje te maken, scheurt er een laagvliegend "weet-ik-veel-vliegdinges" rakelings over mij dat mijn hoedje tussen de blokken terecht komt. Helemaal op het einde van oktober is het al behoorlijk koud buiten dus draag ik een bandana als onderhoed zodat de schaamte van mijn onthoeding nog beperkt blijft. Deze tijd van het jaar is het al vroeg donker en met mijn zaklamp zoek ik mijn hoedje. Heb al een hele dagtaak achter de rug en nu het avond is en ik een beetje tijd voor mezelf heb word ik nog onderste boven gevlogen. Ik kijk in de lucht en met de maan als achtergrond zie ik het "weet-ik-veel-vliegdinges" een bocht van 360° maken en terug mijn richting uit vliegen.
"Sorry hoor, sorry, sorry !"
Het cirkelt nu boven mij en roept sorry, sorry. Mijn hoedje op mijn kop zettend sta ik om mijn as rondjes te draaien het vliegdinges te volgen terwijl ik bestudeer wat er nu eigenlijk boven mijn kop vliegt. Uiteindelijk landt het, op de grond terecht gekomen stapt iemand van een bezem af. Met mijn zaklamp beschijn ik het. Een verschrikkelijk oud vrouwmens met een lange kromme neus, een punthoed met brede rand, lompen van kleding aan en krom gebogen als een vraagteken. Mens, wat ben jij lelijk, denk ik bij mezelf.
"Had ik je," vraagt het.
"Of je mij had ?" "Zeker weten, je scheurde zo rakelings over mij dat mijn hoedje af vloog."
"Het spijt me hoor, ik was een beetje in de war met het licht van je zaklantaarn." "Afgesproken teken, flitsend licht is landingszone." "Wil je die nu even uit mijn gezicht halen ?"
Oeps, ja natuurlijk, mens wat ben je toch lelijk. De wratten staan boven op je neus. Zal het licht van mijn zaklamp maar uit je gezicht halen, ik sta hier bijna te kokhalzen van jouw lelijkheid, volgens mij ben je al vele jaren over je houdbaarheidsdatum heen.
"Omdat je met je zaklantaarn aan het zoeken was dacht ik dat ik hier moest landen, eigenlijk heb je mij wel een beetje misleid."
"Ja, hallo," antwoord ik een beetje verdedigend.
"Ween", zegt ze.
"Ween ?" "Hoezo Ween ?"
"Dat is mijn naam, Ween, je zegt hallo dus ik denk dat je me wil begroeten."
"Ween, herhaal ik, ja, beetje rare kennismaking, nog nooit gehoord."
"Neen, waarschijnlijk niet, eigenlijk heet ik Wiesje-Marleen De Sabbat maar ja, iedereen noemt mij Ween."
"En jij," vraagt ze.
"Karel," antwoord ik, gewoon, simpel Karel."
"Hallo Karel," zegt ze.
"Hallo Ween," antwoord ik.
"Waarom schijn je met je zaklamp naar die rotsblokken ?"
"Zoek een geschikt blokje, ben beeldhouwer en wil een nieuw beeldje maken, dit is mijn voorraad." "En jij, waar vlieg jij naar toe op je bezem ?"
"Heksenkring, antwoordt ze, drukke tijd deze periode van het jaar, heksenkring hier, heksenkring daar, ritueeltje zus, ritueeltje zo, nu weer druk met rituelen voor de overledenen." " 1 november weet je wel, worden de doden nog eens herdacht." "Is dat je atelier ?"
Ze wijst naar de grote inrijpoort die open staat waar volop licht brandt.
"Ja, mijn cultus der rituelen."
"Wil je een oude heks niet even rondleiden ?"
"Ja, natuurlijk, mij best, maar jouw heksenkring dan ?"
"Ach, heksenkring, heksenkring !"
Zichzelf voorgeleidend stapt ze naar de grote inrijpoort van mijn atelier, haar bezem achter zich aansleurend, mij in haar kielzog en een stevige klaagzang mompelend.
"Heksen en tovenaars met hun rituelen, paddenstoelen stippen, drakenbloed, mensen met hun feestdagen en bijgelovigheid alsof een kaars branden de wereld zal verlichten." "Snel naar hier vliegen, snel naar daar vliegen, ik wil er even tussen uit, ik wil vakantie."
Kranige ouwe tante, loopt half mank voorovergebogen en ik heb moeite om haar bij te houden. Een zwarte kat of een vleermuis is toch het minste wat je zou verwachten maar deze heks heeft haar huisdieren blijkbaar thuis gelaten.
"WAT EEN ZOOTJE," roept ze keihard als ze te midden van de grote inrijpoort staat.
Zootje, zootje, momentje hé, dit is wel MIJN zootje hoor, artiest aan het werk. Ik was al zover achter dat ik nu enkele stappen sneller zet om tot bij haar te komen. Scheurt dat mens rakelings over mij, nodigt ze zichzelf uit mijn atelier te bezichtigen, is zo lelijk als de nacht en heeft ze nog commentaar ook nog.
Ze zet haar bezem voor zich, klapt twee keer in de handen en veeg veeg, het ding begint uit zichzelf te vegen. Met grote ogen kijk ik stomverbaasd toe hoe het in zijn eentje mijn hele atelier in een vliegende vaart schoon veegt, al het vuil dat het aanraakt verdwijnt gewoon. Netjes komt hij terug voor haar staan als een getrainde soldaat in geef-acht. Ze reikt haar hand, neemt de bezem opnieuw vast en zegt : "dank je wel."
"Zo, zegt ze, dus dit is jouw atelier ?"
Het mens loopt zo krom dat ik mij een beetje moet bukken en omhoog kijken om haar gelaat goed te zien.
"Kan jij nog meer van die kunstjes," vraag ik haar heel zachtjes ?
"Neen, zegt ze, ik heb mezelf net vrijaf gegeven, nu wil ik creatief zijn."
Jammer, want dan had ik nog enkele wensen.
"Mooie stoelen, zegt ze."
"Ja, antwoord ik, hele mooie stoelen, zelf gesmeed van betonijzer, veel werk aan geweest."
"Ik dacht dat je beeldhouwer was ?"
"Ook ja, beetje artiest in van alles."
Mijn werk heeft toch een speciale aantrekkingskracht, iedereen wil het aanraken. Zo ook mijn stoelen, waar ik ze al heb tentoongesteld, overal gaan de mensen erop zitten. Eerst draaien ze er wat rond en bekijken het, dan gaan ze er toch op zitten en bekennen dan dat ze verbazend goed zitten. Ook deze ouwe tante kan niet aan de verleiding weerstaan.
Floep, dat kromme lijf van haar ploft in mijn stoel. Volgens mij is ze een zus van Sinterklaas want ze zit precies hetzelfde, die hoge punthoed met brede rand op haar kop en haar bezem als een staf vasthoudend.
"Ze zitten verbazend goed."
"Dank je," antwoord ik heel nederig. Had een dergelijk antwoord al wel verwacht maar je moet mensen steeds het gevoel geven dat ze uniek zijn.
Ze kijkt wat in het rond en bemerkt dan IJdelina.
"Wat een mooi beeld," roept ze !
Ze springt van de stoel en kijkt naar boven. Mijn atelier is zo hoog dat ik over een gedeelte ervan een verdieping gemaakt heb. Op de rand ervan staan beelden geëxposeerd die even thuis zijn. Om naar boven te kijken moet ze zich helemaal achterover buigen, nu gaat ze omvallen denk ik. Ze springt op haar bezem en zoeft naar de verdieping, over de balustrade en land naast het beeld. Langs de trap hol ik haar achterna.
"Heeft lange tijd in een horeca zaak gestaan, vertel ik haar, honderden mensen hebben het aangeraakt." "Het staat hier nu om wat op te poetsen maar ik heb de tijd nog niet gehad." "Ik heb ze IJdelina genoemd."
"Heel mooi vrouwenlichaam, net zoals ik toen ik jong was."
Zou kunnen ja, maar dat moet dan toch heel heel lang geleden zijn. Zoals iedereen raakt ze het aan.
"Het is helemaal mooi glad maar op de rug is het ruw," zegt ze en met haar kromme vingers betast ze het ruwe gedeelte.
"Daarmee geef ik aan dat ze geen ruggengraat heeft." "Het stelt de ijdelheid van het vrouwelijke voor." "Het is een vrouw zonder hoofd, zonder armen en zonder ruggengraat." "Als je geen hoofd heb kan je niet nadenken en als je geen armen met handen hebt kan je niet geven." "Als je niet kan nadenken en geven heb je geen ruggengraat en verval je in ijdelheid en dat is het tegenovergestelde van eigenwaarden." "Zodoende heet ze IJdelina."
"Wat vrouwonvriendelijk," zegt ze nijdig.
"Neen, neen, niet waar, dergelijke vrouwen lopen nu eenmaal rond en ik ben een magneet voor hun en trek ze aan." "Om dat probleem in mijn leven te overwinnen maak ik daar een beeld van als symbool voor een mijlpaal dat hun gedrag mij niet meer stoort en dat ik nu ook eens de fijne vrouwen mag ontmoeten."
"En werkt dat ?"
"Werken die ritueeltjes van jou ?"
"WEEN !" Klinkt het heel hard door mijn atelier.
Verschrikt kijk ik naar de grote poort. Daar staat een oude man met hoge hoed, lange baard en bijhorende bezem. Op zijn schouder zit een uil en hij kijkt erg boos. Duidelijk een kennis van Ween. Waar komt die vandaan en wat komt die hier doen ? Ik kijk naar Ween die er erg rustig bij blijft.
"Albertus, zegt ze zachtjes, de rechter hand van de grote tovenaar, een echte meeloper."
"Ik heb je overal gezocht, roept hij hard, we staan op jou te wachten."
Zijn luide stem klinkt als een donder door mijn atelier.
"Jij denkt dat je met het maken van een beeld jouw probleem gaat overwinnen ?"
"Jongen toch, ik kon je bed overgrootmoeder zijn en ik zit er nóg mee."
Ze stapt op haar bezem, wipt over de leuning en in duikvlucht scheurt ze naar hem. Kijkt nog een laatste keer naar mij en roept:
"Karel, bedankt voor de rondleiding."
"Kom IJdelino, waar wacht je op ?"
"Albertus is de naam Ween, Albertus !"
En daar vliegt het ruziemakende stel mijn atelier uit.
Dit verhaaltje is maal gelezen.
|
 |