30
 
Het kasteel

In de ban van de oudheid.

De poort is op slot met een ketting en een hangslot. Ik kijk door de tralies van de dubbele smeedijzeren poort die de toegangsweg naar het kasteel afsluit. Een lange oprijlaan met op het einde een grote rotonde die waarschijnlijk ooit met prachtige bloemen en planten onderhouden was maar nu totaal verwilderd is. Een staaltje van subtiele intimidatie, zeer indrukwekkend. Twee torens op de hoeken van de voorgevel, aan de linker gevel een gebouw dat iets achteruit springt en aan de rechter gevel een soortgelijk gebouw maar anders. Het is symmetrisch en toch weer niet. De linker en de rechter vleugel. Op het dak van de linker vleugel staat een glazen serre, op zich al een gebouw op zichzelf. De bewoners van dit huis moeten natuurliefhebbers geweest zijn, waarschijnlijk een privé tropische oerwoud daarboven.
Via een complex trappen gebeuren kom je aan de voordeur. Als je de voordeur bereikt ben je al doodmoe door al die trappen op te lopen. Dat iets dergelijks nog bestaat in mijn regio daar had ik geen flauw benul van. Het landgoed staat al vele jaren leeg en mijn klant heeft het gekocht om er een klasse restaurant van te maken, feestzalen te verhuren, tuinparties en wat kan je nog al meer verzinnen in de horeca.

Ik word gebeld, iemand heeft mij nodig, mijn GSM trilt in mijn broekzak.

"Dag Jean-Paul."
"Je zal wat later zijn ?"
"Maakt niet uit, ik wacht wel even."
"Dat gaat niet, ik kan er niet in, de poort is op slot."
"Langs de achterkant via de paardenstallen ?" "Sleutel onder de bloempot ?"
"Ok, tot zo dadelijk."

Straf is dat, aan de voorkant is het hermetisch afgesloten maar aan de achterkant ligt er een sleutel gewoon onder een bloempot. Ik stap terug in mijn auto en rij langs het domein zoals mijnheer aan de telefoon uitgelegd had. Daar zou dan een karrenspoor moeten zijn. Juist ja, daar is het. Daar kan ik makkelijk met de auto op en dan kom ik aan de paardenstallen. Dit zijn dan de paardenstallen en van hieruit moet ik te voet verder.

Wat een eind te voet, met het plan van de architect en een notitieboekje loop ik door de immense parktuin naar het kasteel, totaal verwaarloosd. Ik kom langs de vijver en raar maar waar, statig drijven er twee witte zwanen op. Er komt een klein riviertje in de vijver en de twee zwanen zwemmen er naartoe.

"He jongens, zijn jullie bang van mij ?"

Statig kiezen ze het hazenpad. Al jaren dat ze met hun tweetjes heel het domein voor zich hebben en nu komt die indringer de rust verstoren. Omdat ik ze met mijn ogen volg zie ik een bruggetje dat over het riviertje gaat waar ze onder door zwemmen.

"Ga maar alvast naar binnen, dan kan je de situatie al eens ter studie nemen," zei mijnheer.

Al verschillende keren voor mijnheer Jean-Paul gewerkt maar nu heeft hij toch een extravagant eigendommetje gekocht. Voor een prikje zei hij, staat al 15 jaar leeg.
Het hoofdgebouw dateert uit de 17de eeuw, zei hij toen hij me wild enthousiast uitnodigde bij hem thuis om zijn plannen te bespreken.

"De 17de eeuw, weet je wat voor een eeuw dat was Karel ?"
"Geen idee Jean-Paul, ben metser, geen geschiedenis leraar."
"De gouden eeuw Karel, de gouden eeuw." "De zeven verenigde provinciën in het noorden floreerden economisch heel goed." "Er werd flink wat geld verdiend en zodoende wilde rijke kooplui een huisje op den buiten in het zuiden, hier dus."
"De zeven verenigde provinciën in het noorden, dacht ik hardop in zijn bijzijn, het huidige Nederland dus ?"
"Ja," bevestigt hij.
"Dus dat betekent, stelde ik vast, dat rijke Hollanders hier in de zuidelijke provinciën, Vlaanderen, een pandje lieten bouwen." "Dan is er weinig veranderd in, pakweg, 400 jaar."

Hij heeft de hele geschiedenis van dit landgoed bestudeerd, het werd gebouwd als buitenverblijfje door een rijke familie van de adellijke stand, Van Rykenthuysche genaamd. Een huisje op den buiten dus. De eeuwen daarna werd er van alles bij gebouwd, door vererving werd het lange tijd in de familie bewaard en elke nieuwe eigenaar bouwde er een stukje bij. De laatste kasteelvrouwe is ongehuwd gestorven in 1896 en van toen is het in privé handen terecht gekomen.

Aan de achterkant van het kasteel is een groot terras, zes treden naar boven die volgens mij wel tien meter lang zijn. Links en rechts van de trap, bovenaan waar de borstwering begint op een voetstuk, staan twee bloempotten. Het wegeltje waar ik op loop komt uit op een pleintje en dan sta ik daar aan die trappen.
Onder welke bloempot ligt nu de sleutel ? Mijn eerste gok is de rechtse. Die dingen zijn van terracotta en wel een halve meter hoog. Ooit wel eens een plantje in gestaan maar nu vol onkruid. Ik duw aan de bovenkant zodat het ding kantelt en buk een beetje om te kijken of de sleutel eronder ligt.
Twee dikke spinnen met behaarde poten komen er vanonder gekropen. Verschrikt laat ik de pot terug los die, tok, terug recht komt te staan. IJlings kruipen ze achter elkaar over de borstwering van het terras en verdwijnen over de rand.

"Hé jongens, wat waren jullie daaronder aan het doen ?"

Dat was dus een foute gok, nu moet ik 10 meter te voet voor de ander pot. Bingo, deze keer geen spinnen maar een sleutel. Een gigantisch raamwerk met in het midden een dubbele deur, volgens mij wel drie meter hoog. Een beetje gefriemel met de sleutel, wat trekken en duwen aan de deur en hop ik ben binnen. Mensenlief wat is het hier immens groot. De veranda zal dit zijn. Het glazen plafond moet wel vier meter hoog zijn. Volgens mij niet uit de 17de eeuw maar veel later aangebouwd. Ik wandel door een kamer die met tegels gevloerd is en kom terecht in het één of ander woonvertrek met een oeroude open haard. Leeg en verlaten, de spinnenschommels hangen aan het plafond en stofnesten in de hoeken. Te midden van de kamer sta ik onder een stalen kroonluchter van wel drie meter doormeter. Helemaal gemoderniseerd want er hangen tientallen lampjes in die volgens mij vroeger kaarsen zijn geweest. Ik leg mijn plan en notitieboekje boven op de haard, het is een beetje rekken want het ding is hoog. Hopelijk blijft mijnheer nog even weg zodat ik hier eens rustig kan rond snuffelen.

Ik wandel verder en kom in de hal. Wauw, wat een gigantische eiken trap naar boven, helemaal versierd met houtsnijwerk. Je zou denken als je in de hal bent dat je gelijk aan de voordeur staat maar neen, er is nog een vestibule tussen.

Danschsael, staat in grote letters uitgehouwen boven een grote dubbele deur.
Aha, de danszaal, dat is interessant, dansen doe ik graag. Tegenwoordig hebben mensen een eigen sauna, zwembadje of fitness centertje in huis maar vroeger was dat een danschsael.

"Kom je zaterdag avond dansen bij me thuis ?" "Ik heb een subliem kwartetje van strijkers uitgenodigd. "

Hup en dan nodigen ze vrienden en kennissen uit om een avondje te komen dansen op muziek van violen en contrabas. Waarschijnlijk nog een nar die idioot komt doen ook nog of troubadours en barden op een luit.

Met veel kracht open ik de deur die gesloten was. Piepend en krakend van ouderdom kreunt het hout en de scharnieren. Met mijn twee armen duw ik de dubbele deur gelijktijdig open.

"Wie wil er dansen met mij," roep ik als ik met de beide deuren in mijn handen sta met gespreide armen. De echo weerklinkt in de lege ruimte en ik schrik van mijn eigen lawaai in de stilte. Daar sta ik dan te kijken in een zaal à la mini Sportpaleis. Danschsael, dit is geen danszaal maar een tempel.
Gewelven van metselwerk maken het plafond, gedragen door zuilen zoals in een kerk. In twee hoeken een mega open haard waartegen die in de woonkamer maar een baby bij is. Vier rijen van 5 kroonluchters. Verwonderd wandel ik naar het midden en kijk omhoog, mijn voetstappen op de houten vloer weerklinken in de leegte. In het midden van het plafond staat een glazen koepel die groot genoeg is om de hele ruimte van daglicht te voorzien. Dat is dus die serre die ik daarstraks zag toen ik door de inkompoort gluurde.

"Neemt ghy eenen beecker wyn met my ?" Hoor ik voor mij.

Nog steeds vol van verwondering naar boven kijkend naar het glazen bolwerk kijk ik met iets meer verbazing langzaam omlaag wie mij aanspreekt.
Voor mij staat een vrouwke met een lang donkerblauw kleed. Aan de brede mouwen zijn de manchetten geborduurd met zilver- en goudachtig borduursel. Ook aan de ronde halsuitsnijding. Haar lange golvende haren zijn versierd met een diadeem. Ze heeft in elk hand een beker wijn en reikt er één naar mij. Ik strek mijn arm en neem de beker aan die ik bestudeer, helemaal versierd met insnijdingen. Ik druk een beetje met mijn vingers de rand samen en hoor het typische krakende geluid van tin als het vervormd wordt, een tinnen beker dus.
Glimlachend staat ze voor mij en volgt mijn bewegingen als ik een slokje neem.

"Van een wynhuysch uyt den vallei van Layon, een zeer jonge wyn, 1758, erg fruytigh."
"Lekker, dank je wel."
"U klederdraght braght my in verwonderingh."

Mijn klederdracht ? Gewoon doordeweeks hoor, jeansbroek, hemd en jas. Ik zou eerder denken dat jouw klederdracht een beetje uit de tijd is, wie draagt er nu nog een kleed met mouwen waar je een heel brood in kan wegmoffelen en die tinnen beker, waar heb je die vandaan ?

"Bent ghy van den landen ?"
"Ja, ik woon op een boogscheut van hier, wist niet dat dit nog bestond in mijn regio."
"Wat praet ghy raer."

Ik raar praten ? Hoe noem je dat praten van jou dan ?

"Streekdialect, antwoord ik, Vlaams weet je wel."

Dan hoor ik trommel geroffel, blijkbaar komt het van uit de hal. Een tijdje houdt het aan en dan roept een luide stem:

"De Markies en Markiezin Van Rykenthuysche !"

"Onze ghastheere en vrouwe, zegt ze, gaen we kyken ?

Met haar rechter hand neemt ze mijn linker elleboog vast, ik plooi mijn arm en met haar aan mijn arm lopen we samen de lege danszaal uit over de houten vloer die af en toe eens kraakt. Door dezelfde grote dubbele deur waardoor ik binnen gekomen was komen we samen in de hal.

Boven aan de trap staat een paar zij aan zij. Mevrouw in een wijde japon met een smalle taille, sierlijk geborduurd en gedetailleerd met strikken en lintjes, een kanten sjaal over haar arm en een waaier in haar hand. Waarschijnlijk draagt ze een korset want die borsten van haar lijken onnatuurlijk te zijn opgedrukt. Ze heeft lange gekrulde haren, van voren hoog en opgewerkt en het valt in lange krullen langs de hals op haar schouders.
Mijnheer draagt schoenen met grote gespen, witzijden kousen, een nauwsluitende kniebroek, een lang en prachtig geborduurd vest en een jas. Een kanten kraag, kanten manchetten en een kleine driekantige steekhoed. Onder de hoed komen lange gekrulde haren tevoorschijn die op zijn schouders rusten.
Onder aan de trap staat de trommelaar. Vanuit alle kamers komen mensen toegestroomd, geheel in stijl en waarschijnlijk in hun mooiste outfit. Wijde japons, molensteen kragen, pruiken, kniebroeken, hoedje zus, hoedje zo, vrouwen met waaiers, de ene al wat dieper gedecolteerd dan de andere en de ene mijnheer al wat langere haren dan de andere. Hier en daar een militair met sabel en bijhorende kwast. De grote hal loopt stilaan vol met mensen.

"Genodighden !"

Roept mijnheer met luide stem.

"Laeten wy dan nu, dezen feest als geopendt beschouwen !"

Feest, denk ik bij mezelf, ik kom uitgerekend op een party terecht. Ik kijk haar een beetje vragend aan.

"De opening van de danschsael, zegt ze, dezen aenbouw is nu voltooid."

Statig en galant daalt het echtpaar markiezen de grote eiken trap af die bovenaan versmalt en onderaan steeds breder en ronder wordt. Uiteindelijk beneden gekomen worden ze door genodigden begroet en ze mengen zich onder het volk.

"Jonkvrouwe Mathilde, hoor ik dan zeggen, my is het zoon vreughde u te zien."

Een fraai uitgedost heerschap komt mijn gevolg begroeten. Mathilde dus en nog jonkvrouw ook nog.

"Stelt my eens voor aen uwen gemael."

Gemaal, gemaal, drijf nu niet over hé, zij hangt gewoon aan mijn arm hoor.

"Mynheer de architect," zegt Mathilde mij.

"Mijnheer de architekt," herhaal ik. Snel verwissel ik mijn beker wijn van mijn rechter naar mijn linker hand om de aangereikte hand in ontvangst te nemen.
"Fraaie aanbouw heb je hier getekend," zeg ik hem terwijl wij elkaar de hand schudden.
"Seker myn jongen, seker." De beste vakluy, beeldhouwers en schrynwerckers hebben we uit den landen gehaeld." "Tien jare van zwaere arbeidt heeft dit schitterend resultaet voortgebraght." "Ik ben seer trotsch, seer trotsch."

"Anna-Marie-Louise," veranderdt hij plots van onderwerp.

Hij kijkt over mijn schouder en ziet daar blijkbaar iemand anders die hij kent. Hop en mijnheer de architect is weg, met geopende armen begroet hij haar met een vriendelijke omarming.

"Kom, zegt Mathilde, we gaen onse beeckers vullen."

Ze trekt een beetje aan mijn arm en geleid volg ik haar. Langs de rechter kant van de hal komen we in een gang terecht, we passeren een deurtje hier, een deurtje daar, nog een trap naar boven, die mij op een normale trap lijkt, en dan helemaal achteraan in de hal een vertrek waar we binnen stappen. Tafels vol met eten, groenten, drank, vlees, fruit en personeel dat kriskras door elkaar loopt. Dus dit is de keuken, wie is jonkvrouw Mathilde dat ze zomaar in de keuken mag ? Centraal aan een lange muur staat een grote stoof waar potten op staan die staan te koken. Het keukenpersoneel heeft het erg druk en bemerkt onze aanwezigheid nauwelijks. Ik kan aan de verleiding niet weerstaan en neem een reeds gebraden kippenpootje. Mathilde trekt mij mee naar een houten wijnvat waar een kraantje aan staat. We vullen onze tinnen bekers helemaal tot aan de rand. Glimlachend kijkt ze me aan en neemt een slokje. Stiekem een bekertje wijn komen stelen in de keuken. Deze jonkvrouw heeft helemaal mijn stijl.

Gearmd, met onze gevulde bekers, wandelen we naar buiten en komen terecht in de tuin achter het kasteel. Opnieuw zie ik het terras met de zes hoog en tien meter lange treden. De veranda is nog niet maar het is een soort van binnenplaats. Vele genodigden bevolken de tuin en het terras en Mathilde wordt hier en daar begroet. De ene begroeting is al iets meer hartelijk dan de andere terwijl ik maar als een rare vreemdeling bekeken word. Op de plaats waar de twee bloempotten stonden staan levens grote beelden van schaars geklede dames.

We komen terecht in de woonruimte die nu helemaal gemeubilaird is. Ik kijk naar de grote luchter aan het plafond waar tientallen kaarsen in staan. Je zal hier maar personeel zijn en elke avond al die kaarsen aan steken om nog maar te zwijgen over het onderhoud om telkens weer het druipende kaarsvet te verwijderen. Geef mij maar gloeilampjes, een klik op de schakelaar en de hele handel brandt. We horen muziek en wandelen verder naar de danszaal.

Verschillende koppels staan al op de dansvloer, stapje zus, stapje zo, erg galant maar volgens mij toch erg gekunsteld. Maar ja, ook dansen heeft een evolutie gekend, ooit is het ergens mee begonnen en zie de heren en de dames zichzelf hier nu hun uiterste best doen. Een nieuw koppel komt op de dansvloer. Mijnheer maakt een stijve buiging en mevrouw een sierlijke knieval. Hop en daar doen ze hun pasjes.

"Wilt ghy danschen met my," vraagt Mathilde.

"Ja, zou heel graag met je dansen maar deze stijl beheers ik echt niet hoor."

Eigenlijk, denk ik bij mezelf, op dit ritme zou ik best wel een tango kunnen wagen, een beetje melancholische muziek, typerend voor deze dans. Enkele violen, wat luit en fluit erbij. Ik kijk haar aan en plaats mijn beker wijn op de dichtstbijzijnde tafel, ze volgt mijn gebaar en opnieuw gearmd betreden we de dansvloer. Net geleerd van dit stijve volkje maak ik een diepe buiging voor haar om de dans aan te vangen die ze beantwoordt met een nederige knieval. Met mijn rechter arm neem ik haar bij haar lende en met mijn linker hand haar rechter. Met een grote pas duw ik haar achteruit en maak een colgada, een éénpuntsdraai om haar dan stevig tegen me aan te drukken en even tot stilstand te komen. Verbaasd voel ik dat ze precies volgt wat ik aangeef. Vervolgens test ik enkele adornos, sierlijke stappen met pauzes. Tijdens een derde pauze kijk ik haar verbaasd aan. Ze glimlacht, alsof ze van tevoren weet wat ik ga verzinnen als dansfiguur. De sluisdeuren van mijn gevoel gaan open en ik haal mijn hele kennis van de Argentijnse tango boven. Deze jonkvrouwe Mathilde heeft een magie die ik tijdens mijn hele leven nog door geen enkele vrouw heb weten evenaren. Een enrosque, verschillende firuletes, een gancho, een media luna. Hoe meer ik in de ban van haar dans magie terecht kom hoe meer fantasie ik in de dansfiguren tevoorschijn tover. Steeds meer voel ik de ogen van de aanwezigen op ons gericht. Het muziek ensemble speelt steeds met meer enthousiasme, het ritme word pittiger en meer geaccentueerd. Blijkbaar dans ik niet alleen met Mathilde maar met de hele zaal, orkest inbegrepen.
Mooie liedjes duren niet lang en ik voel het einde van dit liedje naderen. Tot besluit een abrazo de piernas. Kaarsrecht sta ik daar met haar achterover in mijn arm en haar been omhelzend rond mijn midden. Het lange kleed dat ze aan heeft bedekt nog net haar onderlichaam. De laatste noten van de muziek deinen uit en langzaam komt ze terug recht, mij opgewonden in mijn ogen kijkend, dicht tegen me aan met één arm mij omhelzend.

"Mathilde !"

Abrupt worden we uit ons intiem danswereldje gerukt door een boze en stijve Markiezin. De ogen van alle aanwezigen in de danszaal op ons gericht.

Mathilde slaat haar ogen naar de grond, neemt zachtjes mijn hand en we verlaten met ons tweetjes de danszaal, een geërgerde Markiezin en een publiek met gemengde gevoelens achterlatend.
Opnieuw leidt ze me door de grote hal, door de gang richting keuken maar trekt me dan de trap op naar boven.

"De diensttrap," zegt ze zachtjes.

Boven gekomen bevinden we ons opnieuw in een vrij smalle, maar lange gang, met allemaal deuren. Voor mij uit, mijn hand vasthoudend, volg ik haar. Opnieuw door een ander gang, die vele breder is, zie ik waar de grote eiken trap in de hal boven komt. Snel opent ze een deur en trekt me binnen. Met een grote sleutel draait ze de deur achter ons op slot.


O soete liefde die my so bemind
Met u schoonhyd myn ooghen verblind
Min hert veroverdt en min ziele bind

Laet mi strelen u gelaet
U eens worden sal gewaer
Dat ghy my nimmer nooit verlaet


Hand in hand wandelen we samen over de wegeltjes in de parktuin. Tussen de bomen van het arboretum en langs de vijver. Statig drijven twee zwanen naast elkaar op de vijver. Ik sta stil en leg een arm om haar schouder terwijl ik de zwanen gadesla. Dus jullie waren hier toen ook al, denk ik. Even kijken ze ons aan om dan van ons weg te zwemmen. Langs de oever van de vijver slenteren we verder de richting van de zwanen volgend. Voor de tweede keer zie ik het bruggetje dat over een klein riviertje gaat dat in de vijver uitkomt waar de zwanen opnieuw onder door zwemmen. Bij het bruggetje aangekomen houdt ze me tegen, angstig kijkt ze me aan.

"Neen, niet over het brughetje," zegt ze.

Ik stel er geen vragen bij en we maken rechtsomkeer.
Terug bij het kasteel gekomen stappen we op het terras en bemerken een hele commotie onder de aanwezigen. We haasten ons naar het woonvertrek, benieuwd wat er aan de hand is. Omringd door verschillende genodigden staan de architect en de Markies met een groot vel papier in hun handen.
Shit, denk ik bij mezelf, het plan dat ik op de schouw had gelegd, niet meer aan gedacht en ze hebben het ontdekt. Ik laat Mathilde los en wring mij tussen het hoopje mensen.

"Dezen teeckenstyl is seer perfeckt, hoor ik de architect zeggen, dit komt niet van mynen hand, noch van eenen schrijfveer." "Myn Markies, er staet merkwaerdigh meer op dan ghebouw is."

"Ja natuurlijk," moei ik mij in het gesprek en neem mijn plan uit de handen van de architect.

"Heer vreemdelingh, zegt de architect tegen me, ick vond u al een raere verschyning, hebt u enighe vercklarink ?"

"Kijk mijne heren, doe ik heel gewichtig en met kennis van zaken, dit is nu de reden dat ik hier ben."
"Wat u ziet is een plan voor verbouwingen aan het kasteel." "De linker vleugel hebt u net voltooid wat de danszaal is en de rechter vleugel zal volgende eeuw gerealiseerd worden."
"De achtergevel van de keuken wordt uitgebroken om de keuken te vergroten omdat de bestaande ontoereikend is voor het doel dat mijn klant met dit kasteel heeft." "Van de vertrekken van het personeel worden kantoren gemaakt." "Verder zal het kasteel zoveel mogelijk gerestaureerd worden om zijn authentiekheid te behouden."

"Karel, hier ben je !"

Verrast draai ik mij om.

"Mijnheer Jean-Paul," zeg ik verbaasd.
"Ik hoorde je tegen jezelf praten en wist je in deze kamer te vinden."

Teleurgesteld kijk ik in de lege ruimte, naar de grote luster aan het plafond met tientallen lampen, de spinnenschommels en stofnesten. Mathilde, jonkvrouwe Mathilde ? Ik draai mij om en wandel terneergeslagen de veranda in.

"De patio is overdekt met een glazen dak," zeg ik zachtjes.
"Juist ja, antwoord Jean-Paul, dat is ergens begin vorige eeuw uitgevoerd."

Helemaal van mijn stuk geslagen kijk ik hem aan.

"Alles goed met je Karel, vraagt hij, het lijkt wel of je spoken ziet."
"Spoken ?" "Neen, geen spoken, misschien geesten ?" "Ik was even in de ban van de oudheid," herpak ik mezelf.

Nog zeker twee uur hebben mijnheer Jean-Paul en ik door het kasteel gewandeld en zijn plannen besproken, opmetingen gedaan en over uit te voeren herstellingen onderhandeld.

Nog steeds met Mathilde in gedachte verlaat ik het kasteel richting paardenstallen waar mijn auto geparkeerd staat. Voor de derde keer kom ik langs de vijver en opnieuw zie ik de twee zwanen. Eventjes kijken ze me aan en zwemmen dan opnieuw naar het bruggetje, een derde déjà vu. Ik sta stil en denk na. Waarom zwemmen jullie steeds naar dat bruggetje ? Waarom wilde Mathilde er niet over ? In versnelde pas stap ik op het bruggetje af. Wat is er aan de ander kant te vinden ?

Als ik het bruggetje oversteek volg ik een verwilderd pad dat uitkomt in een verwilderde tuin. Grafzerken, tussen al het onkruid staan grafzerken. Een kerkhof, als ik de ingehouwen teksten lees ontdek ik dat hier al de overledenen van de familie lijn begraven zijn. Tussen het onkruid en de grafzerken baan ik onderzoekend mijn weg als ik ongelovig, een door de tijd aangetast, opschrift op een grafsteen lees:

Jonkvrouwe Mathilde Van Rykenthuysche 1728-1762

Jij was de dochter van de markiezen, steeds jonkvrouw gebleven en op 34 jarige leeftijd overleden.

15 lezers hebben gestemd, waardering = 68%