<< Vorig verhaaltje   ¦   Terug naar inhoud   ¦   Volgend verhaaltje >>
27
 
Lentekriebels

De eerste zonnenstralen hebben rare gevolgen.


En daar is de zon, ik dacht al dat het winter zou blijven. Iedereen die ik ken snakt naar de zon, lekkere warme zonnestralen. De winter heeft lang genoeg geduurd.

"Heb je snoepjes bij je ?"
"Snoepjes ?
"Je gaat me toch niet vertellen dat je even komt wandelen zonder snoepjes mee te brengen ?"
"En welke snoepjes wil je dan wel ?"
"Rogge brood, bruin brood, 7 granen brood of volkoren brood." "Rozijnenbrood heeft mijn voorkeur, als het maar geen wit brood is."
"Het spijt me, neen, ik heb geen snoepjes bij."
"Jij bent geen echte wandelaar jij, die weten dat ze snoepjes moeten meebrengen." "Dan vlieg ik wel langs de terrasjes, mensen laten wel eens nootjes slingeren die ze bij hun pintjes krijgen, die pik ik dan wel van de tafeltjes of van de grond."


Kleine opdonder ! Hup en daar vliegt het roodborstje door de lucht. Nootjes van de tafeltjes op de terrasjes gaan pikken, rare vogel.

Neen, ik ben geen echte wandelaar, het is zondag middag, niks te doen of toch nergens zin in en ik dacht maar eens een wandeling te maken in onze natuur. Die eerste zonnestralen zijn echt lekker. Ben al een tijdje aan het wandelen, zag een omgevallen boom en ben er op gaan zitten, komt dat gevleugeld praatjesmakertje mij om snoepjes vragen.

"Jij bent nieuw hier hé ?"

Ik draai mij om, achter mij staat een hertje.

"Ja, antwoord ik, ben hier nog nooit geweest."
"Jij mag hier helemaal niet komen, dit is beschermd natuur gebied, verboden voor mensen."
"Sorry, dat wist ik niet."
"Dat was Roodje, een echte lefgozer hoor, veel praatjes bij."
"Roodje dus, ja, praatjes had die wel en wie ben jij ?"
"Anna Frederica Marie-Louise XVI"
"???????, heb jij ook een iets kortere naam ?"
"Ja, Doortje."


Doortje hupt over de boom en komt naast me staan. Het snuffelt aan mijn hoedje en dan plots knabbelt het eraan.

"Hé zeg, mijn hoedje."
"Het heeft de kleur van spruitjes, ik wilde even weten of het ook naar spruitjes smaakt."
"Dat zou wel eens vies kunnen tegenvallen, ik ben een roker hoor."


Ik fatsoeneer mijn hoedje dat scheef getrokken was, waarom wil iedereen toch mijn hoed van mijn kop ?

"Hé Doortje, heb je een nieuw vriendje ?"

Onder de boom waar ik op zit kruipt een konijntje vandaan. Het springt op de boomstam en komt naast me zitten. Op zijn kontje, kaarsrecht, oortjes recht omhoog en met bedelende pootjes kijkt het me aan.

"Stel mij eens voor ?"

"Ik weet niet wie hij is,
zegt Doortje, hoe heet jij ?"
"Ik ben Karel,"
antwoord ik.
"Ik ben 256," zegt het konijntje.
"256 ?"
"Ja, papa en mama konden geen namen meer verzinnen en toen zijn ze met nummers begonnen."
"Daar kan ik in komen, ja."

"He jongens, jongens, hebben jullie Stekeltje gezien ?"


Uit een boom komt een eekhoorntje, loodrecht langst de stam naar beneden, springt op de grond, hupt op de omgevallen boom waar ik en 256 op zitten, spurt tot achter 256 en springt dan op de rug van Doortje.

"Auw, auw, Pluimpje, niet op mij kruipen, die nageltjes van jou doen zo'n pijn."
"Sorry Doortje, niet aan gedacht."


En het springt van de rug van Doortje aan mijn andere kant op de boomstam en kijkt mij vragend aan.

"Wie ben jij ?"
"Karel,
zegt 256, hij is nieuw."
"Heb jij Stekeltje gezien ?"
Vraagt Pluimpje aan mij.
"Wie is Stekeltje ?" Vraag ik.
"Mijn vriendje de egel." "Ik mis hem al verschillende maanden, hij doet zijn slaapje maar is nu wakker." "Gisteren ben ik nog naar zijn bedje gaan kijken en toen sliep hij nog maar nu niet meer."
"Joepie, joepie, Stekeltje is wakker !"
Roepen Doortje en 256.
"Misschien is hij wel naar jouw huis gegaan om jou te zoeken, zeg ik hem, als ik mijn vriendje al maanden niet meer gezien heb ga ik hem opzoeken bij hem thuis."
"Zou je denken,
vraagt Pluimpje, ja, ja, je hebt gelijk, dat heeft hij vorig jaar ook gedaan."

En rits, het eekhoorntje springt in een boom en van tak op tak zie ik hem weg snellen.

"Dag 256," hoor ik heel lief achter mij.

Ik draai mij om en achter ons op de grond zit een ander konijn. Plots begint 256 heel snel en hard met zijn achterpootje op de boomstam te kloppen. Hij doet dat met zo'n geweld dat ik zit te trillen als een rietje. Het onbekende konijn springt sierlijk met hoge sprongen weg en 256 springt van de boomstam en huppelt er achter aan.

"Jongens, jongens wat een enthousiasme," zeg ik tegen Doortje terwijl ik mij terug omdraai en naar haar kijk, maar Doortje heeft blijkbaar ander interesses. Ze kijkt voor zich uit en ik draai mijn hoofd naar de richting die ze uitkijkt. Fier, met borst vooruit, komt een ander hertje onze richting uit. Het heeft al iets van een klein gewei op zijn kop en iets lang en smal in zijn muil, bij Doortje gekomen legt hij het voor haar pootjes op de grond.

"Kijk eens wat ik gevonden heb Doortje." Zegt het hertje. "Ik ben in mensenland geweest op zoek naar dit, een spruiten plant, er hangen nog enkele spruitjes aan."
"O Hoorntje,
zegt Doortje, wat lief van je."

Smakelijk knabbelt Doortje die enkele spruitjes eraf.

"Het was fijn jou te ontmoeten Karel, zegt Doortje, als ze nog met haar tong langs haar lippen gaat, ik hoop je nog eens terug te zien."

Heel dicht tegen elkaar aan verdwijnen de twee hertjes in het bos.

Zo gaat het er dus aan toe in dit gedeelte van de natuur dat voor mensen verboden is, denk ik bij mezelf. Ik zal dat hele eind dat ik gekomen ben maar eens terug gaan.

In mijn kroegje aangekomen bestel ik een koffie aan de bar en zoek een leeg tafeltje op het terras. Plots springt er een roodborstje op mijn tafeltje.

"Dag Roodje," zeg ik, maar het antwoordt niet.
"Nu heb ik een snoepje voor je."

Ik neem het koffiekoekje en doe het uit de verpakking. Ongeduldig wipt het enkele pasjes dichter. Ik haal het koekje uit het papiertje en geeft het hem. Gulzig neemt het dat hele koekje in zijn klein bekje en zwaar overladen vliegt het weg.

"O kijk, roept een vrouwtje aan een ander tafeltje, dat vogeltje komt gewoon op de tafel jouw koekje halen."
"Een kennis van me,"
zeg ik haar.

Stiekem zit ik wat naar haar te staren en denk aan de gebeurtenissen van deze middag. Ze heeft een leeg glas wijn voor zich.

"Mag ik jou iets te drinken aanbieden," vraag ik haar?

Ze staat op en komt bij me zitten.

"Ja, zegt ze, dat mag je zeker, uiteindelijk is het lente."

13 lezers hebben gestemd, waardering = 63%
 
<< Vorig verhaaltje   ¦   Terug naar inhoud   ¦   Volgend verhaaltje >>