<< Vorig verhaaltje   ¦   Terug naar inhoud   ¦   Volgend verhaaltje >>
18
 
Fileleed


Dromerig zit ik achter het stuur van mijn auto. Wat is het toch weeral druk, ik sta aan te schuiven aan het rode licht, het is nu al drie keer groen geweest en ben er nog niet door. Telkens een paar auto's die verder kunnen en dan springt het weer op rood. Moet er ééntje links afdraaien en dan staat die op het kruispunt en kan er niemand meer langs. In plaats dat die dan een eindje verder het kruispunt op rijdt maar dat doet die dus niet en dan sta je maar te wachten. Ons stelletje politiekers met hun ambetantenaren verbouwen de wegen steeds smaller en smaller. Allemaal zeker van hun eigen gelijk. Hoog tijd dat de mensheid het tele-transporteren onder de knie krijgt. Even denken waar je wil zijn en flits je bent er, met de snelheid van een gedachte. Zou erg handig zijn, gedaan met het betalen van die dure brandstof, gedaan met de aankoop van een dure auto. Geen vliegtuig tikets meer want ik kan verzinnen wat ik wil eender waar op onze planeet.

De Chinese muur, die zou ik wel eens willen bezoeken. Even aan de Chinese muur denken en floep, ik sta er boven op. Of het terracotta leger eens gaan bekijken, als beeldhouwer zou ik het wel eens willen zien. Duizenden levensgrote Chinese krijgers in terracotta. Of de Eifel toren in Parijs ? Even een terrasje doen op de Champs-Elysées of neen beter, Montmartre, daar moet ik beslist eens naartoe. Ergens in Londen een kijkje gaan nemen in de namiddag en voor het avond eten, flits weer thuis. Vraagt mijn Vrouwkelief of ik wat verse papaja's wil gaan plukken. Hop ik even ergens naar Zuid-Afrika en terug, die dingen groeien daar toch in het wild.

“Blijf je niet aan de cocosjenever hangen bij de Toetsies ?”
“Neen, schat. “


Een wandelingetje maken op Antarctica met mijn schatje dicht tegen mij aan tussen de pinguïns en als het ons daar te koud word verzinnen we snel dat we ergens op de Caraïben zijn om daar op te warmen, even een duikje nemen in de warme Atlantische oceaan daar. Ben ooit eens naar Cuba geweest en ik herinner me dat het water daar lekker warm was. Komen we daar aan, helemaal ingeduffeld in winterse kledij als een stel stijf bevroren kippen tussen al die amigos in zwembroek en bikini.

« ¿ Hola amigos, qué pasa ? » (Dag vriendjes, what's up ? )

Word ik 's nachts wakker ligt mijn Vrouwkelief niet naast mij maar vind ik een briefje op haar hoofdkussen.

« Lieve schat ik kon niet slapen en ben even gaan zonnen op de beach van Miami. xje »

Natuurlijk, te midden van de nacht is er wel ergens een plaats op onze planeet waar de zon schijnt.

Of het rode plein in Moskou, moet daar gigantisch groot zijn.

« желанный на Россия » (Welkom in Rusland)

Een hotel hoef ik dan ook niet meer te betalen want als ik wil gaan slapen flits ik mezelf terug in mijn eigen slaapkamer en 's morgens weer terug op mijn vakantiebestemming. Het zal nog wel een tijdje duren voor deze mogelijkheden aan de mensheid geopenbaard worden. Zou het al voor onze achterkleinkinderen zijn ? Onwaarschijnlijk.

Komt het kleintje heel hard naar grootvader gelopen omdat het iets ontdekt heeft wat het niet begrijpt.

“Opa, opa, wat staat er allemaal in jouw schuur ?”
“Dat zijn auto's lieve schat.”
“Auto's ?” Wat zijn auto's ?”
“Daar verplaatsten de mensen zich vroeger mee.”

“Dit is eigenlijk een verzameling van mijn vader zaliger, jouw overgrootvader, hij was een echte auto liefhebber.” “Die hele grote dat is een Rolls Royce, een hele dure, die konden enkel hele rijke mensen betalen en die er naast staat dat is een Porche, een sportwagen die heel hard kon rijden maar toen we het tele-transporten geleerd hebben werden ze massaal gedumpt als oud ijzer.” “Niemand die er nog in geïnteresseerd was, toen kon je de duurste auto's gratis van de sloop halen en weet je wat dit is ?” “Dat is de kinderfiets van jouw overgrootmoeder.”
“Een kinderfiets, dat is voor kindjes en wat moet je daar dan mee doen opa ?”
“Rijden hé lieve schat maar hoe je dat doet dat weet ik niet, mijn moeder heeft het als kind nog gedaan maar ik heb het nooit gezien.”
“Wat waren onze overgrootouders toch primitieve mensen hé opa ?”
“Ja mijn lieve schat, maar toen was het heel modern en werd er heel veel geld voor betaald.”

“Kom, we flitsen ons naar de keuken, ik denk dat oma nog een dessertje voor ons heeft maar maak ze nu weer niet aan het schrikken door plots achter haar te verschijnen.”

Gedaan met uren tijd te verliezen aan verplaatsingen. Gedaan met oliebaronnen schatrijk te maken die met hun rijkdom toch maar oorlogen financieren. Misschien is het toch geen goed idee om de mensheid nu al de truc van het tele-transporteren te openbaren. De één of andere president of warlord zou dan zijn leger met de snelheid van een gedachte van de ene naar de andere plaats van de wereld kunnen zenden. Of een stelletje heethoofden zou wel eens stoute dingen kunnen verzinnen en je kan ze niet meer opsluiten want ze flitsen zich zo weer uit de cel. Bedenk maar even dat je met je boodschappenmandje naar de supermarkt kan gaan en niet langs de uitgang hoeft te passeren om weer buiten te zijn, even aan je keuken denken en flits, zonder te betalen weer thuis. Neen, de mensheid is er nog niet klaar voor, misschien binnen 10.000 jaar ?


TUUT TUUT TUUT !

“Oeps, sorry.”

TUUT TUUT TUUT !

“Jaja, ik rij al hoor, even in versnelling zetten.”

Was ik zo diep in dromenland verzonken dat ik niet gezien had dat ik verder kon rijden. Er is al een flinke opening tussen mij en mijn voorganger, snel een beetje bijbenen. Deze keer gaat het me lukken, nu kan ik er door. Neen, toch niet ? Neen maar, wil mijn voorganger links afdraaien en er komen nog auto's van de ander kant. Rij toch een stukje verder man dan kan ik er naast dadelijk is het weer rood. Voila, daar heb je het al, oranje. Ja hij rijdt verder, foert hoor, sta hier al lang genoeg snel wat gas bij geven, hoeps rood, ik zag het nog net rood worden.

WOEIWOEIWOEI, flikkerflikker.

Miljaar miljaar, dus jij was zo ongeduldig aan het claxonneren daarnet. Sta ik daar zo lang aan te schuiven, had ik niet gezien dat de flikken achter mij stonden, pal achter mij. Over pech gesproken ? Dat gaat me weer geld kosten.

Flikkerflikker WOEIWOEIWOEI flikkerflikker.

Ja zeg, laat mij ergens parkeren hé, wat wil je ? Dat ik hier te midden van de baan stop en iedereen ga ergeren omdat ik dubbel geparkeerd sta met jou erachter ?

“Goede middag mijnheer, U weet dat U door het rode licht reed ?”
“Het was maar een heel klein beetje rood hoor.”
“O, mijnheer is de plezantste thuis ?”
“Mag ik de papieren van uw wagen en uw identiteitskaart.”


Mevrouw de politieagente, een bitsige tante, geen prettige verschijning. Loopt rond mijn wagen alsof die gestolen is. Nummerplaat nakijken, verzekering nakijken, technische controle. Staan ze daar gewoon naast mij een beetje dubbel geparkeerd en haar collega regelt het verkeer. Mevrouw draagt hier de broek, mijnheer moet het vuile werk doen. In plaats dat ze me meenemen naar een plek waar we niemand hinderen, neen, stoer doen, ze hebben net een crimineel te stekken, op heterdaad betrapt.

“Wilt U even uitstappen ?”

Zal wel moeten zeker ? Ga je me dan fouilleren ? Ze schuift de achterdeur van de combi open en ik moet instappen. Daar zit ik dan aan haar kantoortje als stoute jongen. Ik zie haar collega buiten het verkeer regelen, hand omhoog, hand naar omlaag, mensen die zich dood ergeren van daar naar ginder laten passeren en dan weer van ginder naar daar. Op het dak van de combi flikkert alles waar licht uit komt.
Ze neemt een heel klein kastje en steekt mijn identiteitskaart erin. Mijn spiksplinternieuwe identiteitskaart, komt voor het eerst uit zijn plastieken beschermhoes, zo groot als een bankkaart. Leest de chip van mijn 'ik-ben-die-en-woon-daar" kaartje met dat elektronisch apparaatje. Moet ik nu dadelijk mijn pincode invoeren om gelijk de boete te betalen ?

“Karel Van Tornhaut,” zegt ze.

Heb je daar dat kastje voor nodig om dat te weten te komen ? Staat er in kleine lettertje ook op hoor.

“Jij bent Karel Van Tornhaut,” herhaald ze.
“Ja, dat ben ik.”

Wat moet ik anders antwoorden ?
Ze stapt uit, opent de passagiersdeur vooraan, neemt iets van het dashboard en komt terug.

“Heb jij dat geschreven ?”

Mijn kleine verhaaltjes, ze houdt drie van mijn kleine verhaaltjes vast en toont die mij. Hemeltjelief, wat nu ? Welke criminele activiteit heb ik me nu op mijn nek gehaald ? Wat heb ik fout gedaan ?

“Ja,” antwoord ik heel voorzichtig.

“Ze zijn geweldig, zegt ze, ik lees ze heel graag.”
“Dank je wel,” antwoord ik.

Kijk kijk, dat mens heeft toch iets zachts in zich, plotseling wordt ze heel vriendelijk.

“Waar heb je die vandaan,” vraag ik ?
“De beenhouwer, nog geen uurtje geleden.”

Dat kan kunnen ja, er zijn vele winkels waar ik mijn verhaaltjes op de toonbank leg om mensen te laten lezen als ze aan het wachten zijn. Ik heb gisteren nog eens mijn ronde gedaan en ben ze overal gaan vervangen. Heb onlangs staandertjes gemaakt waar drie verhaaltjes in kunnen. Telkens ik er nieuwe heb ga ik ze vervangen. Mensen mogen ze mee nemen. Dus jij gaat een beetje boodschapjes doen voor je gezinnetje als je van dienst bent ?

“Zat er net ééntje te lezen toen we voor het rode licht stonden.”
“Waarom rij je nu toch door het rode licht, Karel ?”


Ze noemt me al bij mijn voornaam, we worden intiem.

“Al dat fileleed, soms word het me ook wel eens teveel.”
“De papieren van je wagen zijn in orde,”
zegt ze en overhandigt me die.

Ze trekt mijn pasje uit het elektronische gleufje en die krijg ik ook terug. Dan doet ze teken naar haar collega dat die moet instappen. Als ze de schuifdeur achter mij dicht doet vraagt ze nog:

“Ga je nu een verhaaltje schrijven over mij ?”


17 lezers hebben gestemd, waardering = 63%
 
<< Vorig verhaaltje   ¦   Terug naar inhoud   ¦   Volgend verhaaltje >>